Hij bleef niet.
We zagen elkaar voor het laatst op mijn oprit, de dag voor hij zou verhuizen. Ik hoefde niet te komen helpen want er was al meer dan volk genoeg. “Tot binnenkort?” zei ik, en hij antwoordde dat hij wat tijd nodig zou hebben om te acclimatiseren, zo alleen wonen, dat de autist in hem moest leren boodschappen doen en zo, “haha!” zei ik, “haha!”, zei hij, en dat was dat. Ik wou dat ik langer was blijven kijken.
Twee dagen later stuurde hij nog een berichtje dat alles goed was gegaan maar dat het wennen was. Sindsdien heerst er twee weken complete radiostilte. Ook op mijn “iemand mist je een beetje” van een paar dagen terug geen reactie. Dus zo zit het.

“Sowieso. Word jij de de vrouw van wie hij later zal zeggen toemme-dat-ik-die-indertijd-door-mijn-vingers-heb-laten-glippen!” Dat is typische vriendenpeptalk natuurlijk, maar moest het waar zijn zou dat al een hele troost zijn. Als ik eerlijk in mezelf kijk, weet ik ook wel dat het niet echt om hem draait, maar om het hem-kunnen-krijgen.

Daarstraks stond ik uiterst geconcentreerd mijn boodschappenlijstje te bestuderen. In de Delhaize. “Piep! Piep! Piiiieep!” Een man bij de aardbeien probeerde mijn aandacht te trekken. “Huh?” zei ik, en toen pas zag ik dat het zijn vader was, die zijn selfscanmachientje op mij had gericht. “Kan ik u ook inscannen? Hello Gorgeous! Zo serieus? Enhoewiestnumetu? Met mij eindelijk wat rustiger, maar de jongens hebben het nog altijd druk, hee. Moet gij ook aardbeitjes hebben?” Ik moest mij inhouden om niet te zeggen dat ze het inderdaad zo druk hadden dat de ene zelfs mij niet meer zag staan, ik had zin om te beginnen bleiten en te zeggen dat hij zijn zoon moest overtuigen wat meer aandacht aan mij te schenken. Maar ik deed het niet, natuurlijk niet. Een occasioneel gevoel voor drama is mij niet vreemd, maar drama in de Delhaize, dat zou erover zijn. Zijn vader heeft altijd al een boontje voor me gehad, maar toen pas realiseerde ik me: de vader is altijd tien keer enthousiaster wanneer hij me ziet dan de zoon. Foute boel. Vuur, trek uw conclusies.

En toch: nog één kans? Nog een paar dagen tijd? Nog één smsje?

De rest van de rayons heb ik op bibberbenen afgelegd. Een zelfverzekerde, onafhankelijke vrouw, dat was ik, dat wilde ik zijn. Maar hij zorgde ervoor dat er niet veel meer dan een puber overschiet. Houston!

Surroschatje

3 juni 2008

Ik vind u sexy. Ik vind u mmrrwhmm-sexy, als ge -surprise!- aan komt wandelen in uw streepkestrui, met versgewassen krullen en op uw teensleffers, in het cafeetje waarvan je wist dat ik er die avond met mijn vriendinnen zou zitten. Ge hebt een kadootje bij, een verschrikkelijk onromantisch kadootje, maar het is iets waar we het op ons allereerste afspraakje, een half jaar geleden, over hadden. En ik vind dat sexy. Dat ge u dat nog herinnerde, en dat ge er uw streepkestrui voor hebt aangetrokken.
Ge kunt mij krijgen. Zo hard. Onder andere wanneer we in de tuin ontbijten, en hoe je dan “Dit is toch echt mooi, he” kan zuchten.
Alles komt bij u uit onverwachte hoeken. Zomaartelefoontjes bijvoorbeeld, want ge wilde mij toch nog efkes horen, als ge op de weg-weer-naar-huis zijt van barbecues of lange werkdagen of familiebezoekjes. “Zijt ge wéér aant bellen terwijl ge rijdt!?”, en ik probeer zo boos mogelijk te klinken, maar daar is dan niets dan liefde aan, hoor.
Je bent zo mooi. Zo naturel-mooi. We staan tegenover elkaar in de kroeg, mijn vrienden er bij, uw vrienden er bij, en de muziek staat veel te luid zodat we moeten roepen om elkaar te verstaan, maar we roepen niet graag. In de plaats daarvan kijkt ge. Ge kijkt en ademt diep in, onderwijl uw schouders ophalend, en ge blaast uit met uw breedste glimlach. “Ik ben zo gelukkig”, zo kijkt ge, hier, en nu, met ons allemaal, met u. En daar waar mijn hart was, voelt het plots aan als een wriemelend mierennest.
Hoe ge mij een glas melk geeft omdat ge weet dat ik dan beter kan slapen, en hoe we terwijl ge uw tanden poetst alvast het cd’tje kiezen waar we ’s ochtends mee op zullen staan.
Ge zijt ongelooflijk goed voor mij, en vooral als ik er niet om vraag. Wanneer ik rugpijn heb geeft ge me uitgebreide massages, wanneer ik weer maar eens last heb van mijn polsen ook, hoe ge zegt dat ik mij voor u echt niet altijd geweldig hoef voor te doen als ik mij zo niet voel, omdat ge weet dat ik het sowieso wel ben. Wanneer mijn fiets gestolen blijkt staat ge er op sàmen naar het politiebureau te gaan, ook al weet ik dat je een superdrukvolgepropte dag hebt, en ge doet nog een omweg voorbij zowat alle bushaltes en supermarkten van drie gemeentes, om te kijken of de fiets niet ergens werd achtergelaten. Wanneer ik te verbouwereerd ben neem jij het heft in handen. Duizend kusjes geeft ge. Of toch bijna. Heel erg zacht, en ge pakt er uw tijd voor, maar altijd vastberaden. En ge wilt niks in ruil. Ge wilt nooit iets in ruil.
Hoe ik merk dat ik indruk op u wil maken, wil tonen wat mijn spieren waard zijn wanneer we meubels versjouwen, met opzet soms hardop dingen zeg waarvan ik weet dat ze u kunnen bekoren.
Hoe ik nog altijd uw gespierd lijf bewonder, stiekem, ook al heb ik het al laaang en veeeel uitgebreid bekeken.
Ik vind bijna alles aan u vertederend. Zelfs uw ochtendhumeur, nog steeds. Ik kan er verbazingwekkend goed mee om, en jij kan me verbazingwekkend goed verdragen. Zelfs wanneer ge alleen maar nors kijkt en mompelt en helemaal niet lief zijt vind ik u schattig.
Zoals ook wanneer we ’s avond in bed de avond overlopen en ik een klein stukske van uw jaloezie merk wanneer ge me uitvraagt over wat er precies dan allemaal gezegd is toen ik net iets te lang met één van uw vrienden stond te praten.

Hoe begin je iets wat al lang bezig is?

En toch: ik mis iets tussen ons. De tss-tss-ke-boem-tsjing, de I lift you up to a higher emotion. The swing in my step, the cream in my coffee.
Ik ben uw cornflakes een beetje beu. Ik wil ook eens een pistoleetje. En ik kan nog altijd vertederd kijken naar hoe ge slaapt, maar de snurkgeluiden vind ik al pakken minder schattig. Ik vind u soms een beetje saai. Ge zijt altijd moe en uw weekends zijn allemaal hetzelfde: ze draaien om u. En ge gaat offline zonder goeiedag te zeggen, vaak. Daar ga ik van grommen, zenne!
Het is niet erg. Het maakt alles makkelijker. Ik heb u graag. Maar.
Ik zie u meer en meer de laatste tijd, en hoe meer ik u zie hoe duidelijker het wordt. Er zit maar weinig vuur in onze gesprekken. Er is geen wauw!-factor. We nemen elkaar zo zoals we zijn, zo vanzelfsprekend. Ik merk dat ik geen moeite doe u aan te trekken, af te stoten, uit te dagen. Soms zie ik u flirten. Met mij. Ge wilt mij veroveren. “Doe niet zo belachelijk”, denk ik dan, besef ik dan achteraf dat ik dat dacht, “ge hebt mij toch al lang? Doe eens normaal!” Dat zou ik dan niet mogen denken, denk ik dan.
Het is zo fijn ademen met u. Maar zou het niet om de ademlóze momenten moeten draaien?

Hoe eindig je iets wat nooit is begonnen?

En toch: blijft ge nog efkes? Of nog lang?

Ik wil niet beweren dat de wereld om mij moet draaien, maar ik had het fijn gevonden als ze mij gevraagd had hoe het nu met mij ging. Ze was één de weinigen die ik in vertrouwen had genomen. En ja, ze was erg lief geweest, maar daarna ook erg Er Niet. In plaats van te vragen hoe het nu met mij ging zei ze nee op mijn superexclusieve uitnodiging om de binnenkant van mijn huis in het echt te gaan zien. Ik had er namelijk nog zesendertig kruisjes op het plafond te zetten. Ik moest nog kijken hoe groen mijn gras wel niet was en hoe hoog precies de lavabo’s van mijn planken vloer stonden. Eenenzeventigeneenhalve centimeter. Dus ja.
Deze ochtend vroeg ze het wel. Ik zei ‘Bwaa’ terwijl ik eigenlijk wilde zeggen dat heel slecht en dat heel goed en ik mis uw broer zo maar al een chance dat mijn haar zo goed zit de laatste dagen en nog wat gedramatiseer en mijn frou is geknipt en zieligheid en vandaag draag ik twee soorten oranje én twee soorten groen en nog altijd soms eenzaam en jeuj! ik heb een cupcakesbakboek gekocht! Maar ik zei dus ‘bwaa’ en zei vroeg ‘bwaa?’ en toen zei ik ‘ja, hoofdpijn. Kater?’ en zij ‘Ah! Haha! Okee!’. Toen kon ik mezelf wel voor het hoofd slaan. Dat van die hoofdpijn was niet gelogen, maar achter mijn ‘bwaa’ lag mijn ganse wereld, en ik had die haar niet kunnen laten zien. Dus als ik haar vanavond zie, zal ze misschien vragen hoe het met mij is, doelend op de hoofdpijn en of die verdwenen is, en is ze zich verder van mijn wereld niet bewust.
Vriend G. deed het anders. Vriend G. was ook één van de weinigen die ik blablibloeblabla, maar hij smste en belde en bleef bellen ook toen ik niet opnam omdat hij weet dat dat ook helpt, bellen wanneer ik niet opneem. Hij stuurde een mail, een lange, met diepgravende analyses en conclusies, die hij nummerde, als ware zijn mail een wetenschappelijk onderzoek. “Je bent een knappe en interessante vrouw met heel veel zelfkennis en kwaliteiten” stond er ergens in het midden, en zo’n zin is een thesis op zich, natuurlijk. Na zijn mail smste hij nog wat en gisteren gingen we dansen. Hij gaf mij gemeende knuffels en veel armkneepjes en lieve zoenen, omdat dat nu eenmaal soms de beste manier is om bepaalde dingen aan te tonen, Elkaar Tof Vinden bijvoorbeeld, ook al zal ik voor de rest van onze beide levens te weinig piemel aan mijn lijf hebben om hem écht te kunnen bekoren.
 
(Ik heb helemaal geen piemel aan mijn lijf, meer nog, nu meer dan ooit besef ik hoe wijf ik wel niet ben, denk en doe als een wijf, mezelf niet altijd onder controle kan houden ook al bedoel ik het allemaal zo goed. Zoals toen onlangs mijn liefste die mijn lief niet is mij ’s nachts belde. Ik lag al in bed, te doen alsof ik sliep, maar ik nam toch maar op omdat ik anders misschien wel nooit zou kunnen horen wat hij te zeggen had. Wat hij te zeggen had was niet veel, hij was enkel aan mij aan het denken en dat wou hij laten weten, zoals ook ik hem niet veel te zeggen had maar wel al vijf uur aan een stuk lag en stond en zat te denken aan hem. ‘Ja’, zei ik, ‘okee dan’, ‘hmmm’. Ik was een teleurgestelde vrouw en ik vond dat ik dat moest laten weten door kortafheid en verwijtende ondertoon, ook al was het maar de verwijtende ondertoon van het woordje ‘hmmm’. En terwijl ik het druk had met zo weinig mogelijk te zeggen, omdat ik dacht dat ik hem daar mee zou kunnen straffen, was ik eigenlijk alleen maar heel erg blij dat hij op dat moment met mij aan het telefoneren was. En dat ik hem he-le-maal niets kon verwijten. Dat ik alleen maar had gevonden dat de wereld even om mij had moeten draaien, en dat het wijf in mij dat even lekker wilde dramatiseren, omdat als we ons in een slachtofferrol steken er misschien wel extra voor ons wordt gezorgd. Want in the end is dat het enige dat een wijf wil, hoor: verzorgd worden. Dus toen we inlegden was de enige die gestraft was ikzelf. Ik had mij als een trut gedragen en trutten worden helemaal niet verzorgd. Dus ik stuurde nog een smsje, om mijn liefheid even recht te zetten, en hem te danken voor de zijne, werd dat toch wel niet zowat mijn allerliefste smsje ooit, zeker? Evenwicht, Vuur, probeer eens wat aan evenwicht te doen. Slaag ik er in om wekenlang de onafhankelijke vrouw te spelen, verkloot ik dat door boempatat mijn gans hart op tafel te smijten. Blaadje sla erbij en ‘t is klaar om te verorberen. Mannen lopen panisch weg van plotsklaps in hun schoot geworpen emoties, dat cliché is een stelling die niet langer bewezen moet worden. Terwijl ik mijn ‘Gewoon, ik heb u graag, ik wil graag bij u zijn -maar daarom nog geen kinderen van u-, vaak maar niet voortdurend’ meestal maskeer met afstandelijke luchtigheid, en dan soms met openbarende hartstochtelijkheden. Vuur, meisje, je hebt nog véél te leren over de snelweg tussen Mars & Venus. Gij onvoorspelbaar wijf.)

Maar goed. Het verschil tussen haar en vriend G. lijkt misschien groot, maar is eigenlijk miniem. Het doet mij nadenken dat iedereen altijd anders handelt dan je zou willen verwachten. En dat ik het feit of ik mij al dan niet beter voel dan een week geleden niet mag laten afhangen van hoe sommige mensen op mij reageren. Ja, soms ben ik kattig. Meestal ben ik bewust van wat voor soort handschoenen ik met mezelf hoor bij te leveren. Vaak ook niet. Dan moet ik inzien dat anderen ook niet het juiste paar uit het niets kunnen toveren. En hoe het met mij gaat? Bwaa.
Maar vooral heb ik nu hoofdpijn. Katerhoofdpijn.

Dit bericht is beveiligd met een wachtwoord. Geef je wachtwoord om het te lezen:


Hij kan verschrikkelijk geïnteresseerd naar Vitaya kijken. Verschrikkelijk oprecht geïnteresseerd. Ik vind dat schattig en sexy, en ook wel grappig, want zijn stoere spieren, wilde manen en ruige mannenhanden combineren op het eerste zicht niet met Vitaya. Hij wil liefst altijd het voorste lepeltje zijn. Wat ok is, want ik ben liefst het achterste. Daar zijn we erg complementair in.
Hij snurkt niet, hij blaast. Zijn lippen maken een plofgeluid en dan volgt er een fffff. Zo komt het dat ik soms lig te giechelen terwijl ik eigenlijk hoor te slapen. Helemaal niet erg.
Hij is mijn liefste maar hij is niet mijn lief. Ik weet zijn ochtendhumeur zo te doorprikken. Van de tweede keer at ik mijn cornflakes op zijn manier, terwijl hij de ontbijttafel op mijn manier had gedekt. Het kan snel gaan.
Er zijn vele hele belachelijke autistenneigingen die wij gemeenschappelijk hebben. De muziek op onze beide computers is op exact dezelfde manier ingedeeld. Een mapje per artiest, en daaronder de mapjes artiest spatie streepje spatie album, en daaronder de artiest spatie streepje spatie liedjes. En alles moet met hoofdletters. Wij hebben beiden een hekel aan kruimels in het boterpotje en aan wanneer mensen de kraan te lang laten lopen.
Hij belt bijna nooit maar als hij zegt dat hij belt dan belt hij. Hij heeft een hoge moeilijkheidsgraad. Mensenkennis voor gevorderden. Ik kan heel goed doen alsof mij dat niet deert, alsof ik de diepst verborgen sliertjes sociale intelligentie niet bijeenverzamelend opgraaf in mijn hoofd, alsof ik niet nadenk over wat die rimpel in zijn voorhoofd nu weer wil zeggen, wanneer ik beter zwijg of spreek. Soms belt hij om te zeggen dat ik beter niet kan komen hoor. Dan is er weer iets niet naar zijn naar-perfectie-strevende-zin gegaan en is hij slechtgezind. “Oh, maar dan kom ik helemaal niet hoor. Ik laat u wel doen!” zeg ik dan, luchtigheid pretenderend, en ik geef een zoen en ik hang op, waarna hij een heel klein beetje later terugbelt en “Dju toch” zegt. Dju toch? “Ja, ge hebt me daarjuist weer goedgezind gemaakt. Kom toch maar, hoor. Nu?” Dan is het paukenslag trompetgeschal triomfgejuich alom hierbinnen, natuurlijk, maar geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt dat te gaan exclameren. Hij is verschrikkelijk goed in heel erg genuanceerd doen over alles en iedereen. Ik ken maar weinig mensen die zo in het midden kunnen staan en er toch een gefundeerde mening aan overhouden.
Ik ben zijn liefste maar ik ben niet zijn lief. Wanneer hij televisie kijkt en ik niet, gebeurt het dat hij stilzwijgend plots het volume harder zet. Dan gaat het altijd over iets dat mij interesseert. Dju toch, denk ik dan, hoe weet hij dat? Hij bewondert mij om mijn objectieve benaderingen van vrouwelijke intriges, om mijn van nature felrode lippen, mijn atletisch uithoudingsvermogen, mijn grote pigmentvlek en de zeven sproeten die hij daar graag in telt. Hij vindt het belachelijk dat ik aan beenontharing en zonnebank en aan tetjescomplexen doe. Toch weiger ik met die dingen op te houden.’s Middags eet hij zestien belegde boterhammen. Zestien. Hij kocht net een appartement, ik een huis, we doen allebei niet aan sport maar wel aan keiveel overuren, en verder kunnen we uren babbelen over bijvoorbeeld latijnse benamingen van planten in den hof. Zelfs op zijn vrije dag trekt hij toch een tshirt aan met het logo van zijn eigen bedrijf. Zijn eigen bedrijf is eigenlijk de mannelijke versie van wat ik doe op mijn werkvloer, wat wij ook remarkable vinden, net zoals onze reispaspoorten indertijd op exact dezelfde dag zijn aangevraagd -ook al kenden we elkaar nog niet- en dus ook op dezelfde dag vervallen. En de jongen waar ik als twaalfjarige hartstochtelijk verliefd op was -mijn beste vriendinneke ging het aanvragen terwijl ik in de boskes stond te schuilen zodat hij mij en mijn schaamrood niet zou kunnen zien- is nu zijn beste vriend.
In heel veel dingen zijn we heel erg traag. Verwachtingen, bijvoorbeeld, daar doen we niet aan mee. Raak je alleen maar teleurgesteld van. Etiketjes: ook niet. Dienen toch maar om iets te benoemen waarvan ge maar al te goed weet wat het is, en om na een tijd losgepulkt te worden door onszelf of elkaar of iets overmachtsachtigs. We weigeren elkaar als lief te profileren. Ons blijft gewoon alleen van ons.
Zoals we graag soms doen van fleske wijn erbij, maar alleen soms want altijd is niet meer bijzonder, zo doen wij het ook voor elkaar: ons is er soms, dat is bijzonder, alle andere dagen zijn gewoon, en zo houden we de teleurstelling minimaal.
En dat werkt. Wanneer ik afscheid van hem neem, doe ik dat altijd met de veronderstelling van weer minstens een week zonder. Toch slaagt hij er telkens in me binnen de 24 uur weer te spreken. Dat is dan feest, ook al is dat dan niet veel meer dan heb jij goed goed geslapen - boa joat - hard gewerkt veel spierpijn - en het was weer zo fijn gisteren he?. En iedere keer denk ik: het kan niet anders of we zien elkaar weer een beetje liever.
We doen wat we doen, en we kunnen maar hebben wat we hebben. En we zijn wie we zijn. Elkaars liefste, niet elkaars lief.

Het kan verkeren. En snel gaan. Het is een beetje griezelig, zelfs.
Eén maand nadat ik een serieuze tegenslag had te verwerken, waardoor dan maar meteen ineens alle verdriet kwam bovengemodderd, ik dacht dat ik niks kon en dat niks mij ooit zou lukken, kan ik zeggen dat ik een huis, een vriend en een rijbewijs heb. Dat is ruim gerekend en lichtjes overdreven en met rekbare begrippen, maar toch, maar toch.
Een huis dus. Volwassenmensenwereld. Ik wandel door een huis, ik klop wat op muren, ik stamp wat op vloeren, ik strijk met mijn handen over het aanrechtblad, ik doe wat deurtjes open, toe, en kijk alsof ik er alles van ken wanneer ik naar het badkamerplafond staar. Ik wandel vier dagen later nog eens door dat huis met een isolatie-expert er bij, 320 mm of 640 mm? vraagt hij, en ik knik alsof ik dat de allerlogischte vraag vind. Zo dacht ik die ochtend nog na of een oranje truitje op een groene broek eigenlijk wel kan, en zo praat ik plots over beerputten en roofing en akoestiek. Daar is maar weinig wijvenweek aan. Ik denk veel na, reken nog meer, bespreek volwassenmensenwerelddingen met ouders en grootouders en vrienden en collega’s. En vooral: ik voel het. Nog eens drie dagen later ben ik opnieuw in het huis. Ik wordt er intussen bij naam genoemd, en ik krijg een zoen, en alles is gemoedelijk, en vrolijk, en ik merk dat de zeeën daglicht van overdag plaats maakten voor een oergezellige sfeer, en ik voel het nog steeds. En plots hoort ge uzelf een bod doen, en ge denkt: als ge over een jeans van vijftig euro soms al een halfuur na moet denken, hoe verschrikkelijk vreemd is het niet dat ge over iets van zo veel duizenden euro’s, zo veel dat duizend meer of minder eigenlijk niet veel meer uitmaakt, toch relatief gezien makkelijk en kalm en snel kunt beslissen? “Denk er maar eens over na, ge hebt mijn nummer”, zeg ik dan, alsof ik iedere week aan huizen kopen doe. En ge stapt buiten op iets wat misschien uw voetpad zou kunnen worden, uw vader rammelt eens lief aan uw schouder en zegt “Dat ziet er goed uit”, en uw moeder pinkt een traantje weg. Ik was nog geen kwartier thuis of ik krijg telefoon. Dat zij het ook voelen en dat ze akkoord gaan met uw bod. Voila, en dan zijt ge plots een house-owning bitch. Van een crib met een tuin en een kookeiland en een bemozaïekte inloopdouche en een zijpoortje en een open haard en een dressing. In mijn master bedroom is zelfs een aansluiting voor een jacuzzi-en-suite voorzien, waar ik mij niet aan ga wagen. Maar het is er en het klinkt lekker decadent. Mijn crib staat in een neighbourhood waar ook een park is, hoera, wat handig is voor zomers en vrienden met picknickmanden en voetballen en boekskes om door te bladeren, en er is ook een shoppingcenter, maar dat is dan weer iets voor wijvenweek. Er hangt een heel verhaal vast aan mijn crib, dat ik misschien ooit wel eens zal vertellen. Het gaat over Costa Rica en pilootlessen en vriendendiensten, en ik vind het prachtig.
Ik heb een huis gekocht! Ik heb een huis gekocht! Ik heb een huis gekocht! Reuzehartverwarmend zijn de vele verschillende reacties: terwijl de ene alleen maar hoofdletters en uitroeptekens gebruikt, is de andere zeer kritisch, wat mag. De ene vindt die ene rode muur heel erg mooi en de andere juist helemaal niet, maar bijna allemaal willen ze komen schilderen. Mijn ouders zijn apetrots dat hun vijfentwintigjarige dochter op haren allenen beslist een huis te kopen, en ik ben dat eigenlijk ook. Er zijn mensen die beginnen over misschien toch de zijgevel extra isoleren, en er zijn mensen die beginnen over mojito’s komen drinken in mijn tuin. Daar zijn we echter nog lang niet: eerst moet ik een oerwoud aan notarissen en bankmeneren en papieren en telefoontjes overwinnen. Maar het komt allemaal goed! We zijn zelfs al goed bezig! Overigens: befacebookte blogmakkers kunnen reeds wat primair beeldmateriaal aanschouwen in mijn fotoalbum.
(Over de bijna-liefde later meer. Maar hij kan al ‘mmm?’ zeggen en dan weet ik niet alleen dat dat een vraag is maar ook nog eens welke, en dan kan ik ‘mmm’ zeggen en dan weet hij niet alleen dat het een antwoord op zijn vraag is, maar ook nog eens wat ik wil bedoelen. Telepathische gesprekken op de heerlijkmagische grens tussen net-nog-bewustzijn en heel diep comateus slapen. Sinds een kleine maand is m definitely mijn favoriete letter geworden. Mmmmm. En ik heb helemaal geen etiketjes nodig om gelukkig te zijn, blijkt nu.)
(Ook over het bijna-rijbewijs later meer. Ik heb al vijfentachtig kilometer per uur gereden intussen, en ook al bijna mijn vinger opgestoken naar een vrachtwagenchauffeur, bijna maar nog niet helemaal! En op mijn papiertje staat dezelfde datum als dat van het goedgekeurde bod. Wat cool is.)
Alles is cool. Ook kindjes die hun paaseiers moeten zoeken in een sneeuwtapijtje.

Hoe het dus verder ging

17 maart 2008

Alles ging goed.
Alles ging goed tot wij tête à tête ergens op het Antwerpse Zuid van een goed glas wijn aan het slurpen waren. Buiten striemde de regen.
“Vuur, jij bent alles wat ik in een meisje kan durven willen verlangen” Hij sprak wat werkwoorden te veel, maar tot daar ging alles goed.
Hij herhaalde de werkwoorden nog eens, en was daarna verschrikkelijk zelfzeker. “Maar ik ben een egocentrische klootzak. Ik wil enkel aan mezelf denken. Ik kan geen rekening houden met anderen. Ik kan u mij niet aandoen. Als ik tot een gat in de nacht wil werken, dan doe ik dat, als ik een gans weekend aan zee wil zijn, dan doe ik dat, als ik alleen wil zijn, dan doe ik dat, als ik heel heel vroeg wil gaan slapen, dan doe ik dat, en als ik heel heel vroeg wil opstaan, dan doe ik dat ook.”
“Hmm.” glimlachte ik. “Ik zit dus aan tafel met een eikel.” You better pay that bill strakskes, makker.

Ik was er niet eens ongelukkig om. Ik wist hoe hij was, dat het vroeg of laat zo zou eindigen. Ik had gehoopt op het tweede, bon, maar het werd dus toch de ‘vroeg’. (”Het zou helpen moest je eens een keertje vallen op iemand waar niét eeuwen van op voorhand afdruipt dat er arrogantie, egocentrisme, bindingsangst, moeilijk karakter of eigenzinnigheid mee gemoeid is, Vuur”)
(Ook vond ik dat we alsnog wel matchten op dat vlak. Als ik vrijwillig zestiguren werkweken wil kloppen, dan doe ik dat namelijk. Ook twee of drie na elkaar. Als ik leuke afspraken cancel om alleen op mezelf niets in het bijzonder te kunnen doen, dan doe ik dat. Enzovoort. Twee eigenzinnige autisten bij mekaar, het zou wat geven.)
En eigenlijk ging alles daarna ook wel goed.

Ik ben niet iemand die het onderste uit de kan haalt om te overtuigen. Mensen moeten zelf maar weten wat ze aan iets of iemand (mij, in dit geval) missen. Ik ben niet bang van begrippen als ‘vrijheid’. Run Forest, run! Ze mogen van mij wegrennen en de wereld exploreren. Als ik iemand graag kan zien door hem nooit meer te kunnen zien, awel, dan zal ik hem op die manier graag zien. Maar als ik iemand graag zie wil dat ook zeggen dat ik blijf. Dat ze gerust in de bossen mogen gaan hossen, en ik hen daarna opwacht met ne warme choco. Of een fris pintje. Meestal marcheert dat. Ben ik nogal arrogant door zelfzeker te kunnen zeggen dat het bij mij gezelliger is dan in de bossen?
Dus ik deed alsof het me niet echt heel erg deerde (en eigenlijk deed het dat ook niet) en wij hadden verder gewoon een goed gesprek. Het is geen slechte kerel, het is zelfs een goeie. Hij is eerlijk en correct en is zich bewust van de verschillen tussen mannen en vrouwen. En dat it takes two to tango. Zo zijn ze echt niet allemaal.

En na het eten gingen we gewoon nog elders pinten pakken en we gingen naar huis met twintig dingen in ons hoofd die we samen nog moesten doen. Ik zou mee zijn nabijtoekomstige meubels kiezen, hij zou mijn nabijtoekomstige tuin ontwerpen, we moesten die en die film nog zeker samen zien. En we zoenden toch nog bij het afscheid. Ik wist dat het zo zou gaan.

Netnietbijnaweltochnietmeerendaarnahalfterug: story of my life.

Mijn leven is zo slecht nog niet, vond ik, vind ik, dus dat hoort gewoon door te gaan. Zo simpel is het.
Een dag later kreeg ik op de werkvloer een ontbijt van appelcake met kaneel en verse muntthee, babbelde bij met de jongen die laaaang geleden ooit mijn eerste zoen gaf en zat ik in Brussel met mensen die ik al tien jaar tot mijn beste vrienden reken. Dat is een luxe. Het is thuis zijn. En mijn avondmaal bestond uit paprikachips.
Twee dagen later ging ik twee huizen kijken -één mooi, één lelijk- (Vuur is nog steeds op huizenjacht, dus, ja hoor), ging ik illegaal autorijden -ik durf al veertig per uur!-, trok ik mijn knalrood jurkje-gewaagde schoentjes-combinatie nog eens aan, zong de ziel uit mijn lijf, en likte duimen en vingers af bij real-life-relatieverhalen in stamkroeg B., zeker omdat er soap-life BV’s mee gemoeid waren. En dat de foute ex van vriend A plots ook de foute ex van de ex van vriend G blijkt te zijn. Ik belandde geheel onverwacht op een fout feestje en het bier in mijn maag bleek niet zo’n goede fond voor de vodkaredbull die daar zo goedkoop was. Ik weet nog dat ik met mijn armen wijd gespreid in het oor van vriend G gilde dat ik dronken was, en dat hij teruggilde dat hij ook zo weg was als iets, maar dat het allemaal zo plezant was, dat dit was wat wij echt eens nodig hadden. Buiten belandde ik met mijn knalrood jurkje languit in de modder en ik vond het niet eens erg. Ik genoot van iedere seconde zelfs. Iedereen sloeg aan het dansen, roken en luid lachen. Ik voelde me zestien en tegelijkertijd was het het zestiengevoel dat ik nooit heb gehad. Ik moest de trap opstommelen en vond dat heerlijk. Toen moest ik de trap weer afstommelen want ik had een boefkick.
Drie dagen later werd ik wakker met een licht gevoel in mijn hoofd en deed aan zelfreflectie, zoals dat soms gebeurt na nachten zoals de voorafgaande. Why wait for Mr Right when you can have so much fun with all the others, dat soort toestanden, en dat het niet verkeerd is af en toe een beetje fout te doen als dat het is wat u meer adrenaline bezorgt. (Zonder potten te breken, uiteraard. Ik heb niet veel principes maar potten zullen er nooit mogen worden gebroken.) Ik lag nog in bed te glimlachen en te beseffen dat ik twee dagen bijna niet aan de jongen met de krullen had gedacht, toen ik plots een berichtje van hem kreeg. “Goedemorgen, lekker ding! X! Zin om vanavond af te spreken?”. Jamaar, zo niet hé, dacht ik, maar ook: ja, zo wél!
En zo kreeg ik dan toch maar weer gelijk. Dat het bij mij gezelliger is dan in de bossen. Dat ge ze maar moet loslaten en dat ze dan vanzelf terugkomen.
En zo kwam het dat ik die avond met hem deed alsof het nooit anders was geweest: we kropen achter de pc en ik liet hem mijn huizen zien. Hij sprak met verschrikkelijk veel verstand van zaken en ik vond dat sexy. En we vertelden over ons weekend en over onszelf en we kibbelden over onze filmkeuze en toen de filmkeuze eindelijk was gemaakt besloten we de film gewoon terug af te zetten omdat we telkens weer begonnen te vertellen. Hij gaf mij alle paarse snoepjes, en ook duizend kusjes.

En ik vond het verdacht. Dat hij spreekt over vrijheid maar toch uit zichzelf op zeven dagen tijd drie keer afspreekt, twee keer belt en vijf keer smst. (ik voel me al bekanst beperkt gaan worden in míjn vrijheid, ha!) Dat hij telkens zo veel complimenten geeft, mij openlijk zo wauw vindt, mij zo wauw doet voelen, dat hij kijkt alsof hij niet wil stoppen met kijken.

Als dat het is wat er nodig is, alleen maar zwijgen over bepaalde grote woorden om de inhoud van die grote woorden te behouden, dan ben ik nog wel mee. Ik ben sowieso geen etiketjesmens, en ik blijf zelf ook nog altijd een eigenzinnige autist. Als hij het woord “Relatie” niet wil horen, deal. Dan wil ik het woord “Bindingsangst” niet meer horen.
Verder weet ik niet wat het nu eigenlijk precies is, hoe het nu verder moet, wat ik ben voor hem, wat hij is voor mij. Ik voel mij goed, en dat is hoe het hoort.

Flashback fast forward

11 maart 2008

Ik verwaarloos veel de laatste tijd. Mijn blog, sommige vrienden, maar ook mijn eigen vuur waar ik zo graag voor sta. Mijn doen-denken-laten vergt de laatste weken erg veel energie. Nooit eerder concurreerden hoofd en hart zo erg, nooit eerder bleef de feedreader zo ongelezen, de rommel zo hoog opgestapeld, nooit eerder was het dal zo diep - maar ook de top zo hoog.

Na de zoveelste dikke tegenslag voelde ik me een loser. Een dikke dikke loser, want alles wat ik onderneem, mislukt. Echt waar. Of het nu over huizen of manmensen of studies of kapsels gaat, alles wordt verbrod of verbrod ik zelf of blijkt achteraf heel erg te stinken. Ik ben het soort mens dat doorgaans achteloos door het leven huppelt. Wat op mij af komt, komt op mij af. Er zit genoeg vuur in mij om van kleine gewone dinges grote zalige dinges te maken. Wat mijn neusgaten binnenkringelt als ik voorbij de wasserette fiets. Collectieve koffie vooraleer het werk des ochtends wordt aangevat. Hoe mijn kat schaamteloos knallende scheten laat.
Als, àls ik dan toch op iets mijn zinnen zet is het net-niet of net-wel-en-vlak-daarna-niet-meer of dat-was-helemaal-niet-wat-ik-eigenlijk-bedoelde. Of er zit zo veel in mijn hoofd dat een klein beetje van dat veel ook al niet meer lukt. Ambitie die daadkracht in de weg zit, hoe ironisch het ook klinkt. Frustraties van eigen menselijke misstappen. En wat heb ik eigenlijk allemaal al bereikt, he, he? Niet veel, he? En ik denk te veel. Zo dat het zelfs mijn anders-toch-eeuwige-optimisme in de weg gaat zitten.

Maar mijn vrienden zijn de beste, de liefste, de slimste, de grappigste, de mooiste. Ik ben rijk, met hen. Dat is wat ik heb. Al de rest waait over, op den duur.

Overwaaien. Op een feestje bijvoorbeeld, waar zowat iedereen is. Een jongen met een pluchen Nemo-pak, een meisje dat een gans oogpotlood aan een Zorromasker heeft verspild, een Sara die een ganse avond in haar rol blijft -voor mij een pepsimax alstublieft-, boa’s en pluimen, paters en nonnen, elvissen en gasmaskers. En vooral: pintjes te veel, want pas achteraf op de foto’s zie je wie naar wie keek, dat er iemand in een hoekje stond te huilen, dat die ladder er al zowat de ganse avond zat, maar ook: Fuck, Vuur, gij marginaal zat wijf, zo met uw armen boven uw hoofd en met uw mond open dansen. Ik ben geen marginaal zat wijf, for the record. Maar als ik aan ‘t gaan ben, dan ben ik aan ‘t gaan. Zo gaat dat met mij. Als ik moet huilen, dan is het tranen met tuiten en tuiten met snottebellen. Als ik in de juiste dansmood ben, dan zwier ik met vriend G. al jivend over de vloer, doe een demonstratie Argentijnse tango met de kortgewiekte filosoof, en jump ik met de zus van de dochter van mijn wannabe-schoonouders. Liefst dat alles  tegelijk met iedereen tegelijk.

Ik had mezelf ook nog een geheime supertopsecret missie opgelegd, op dat feestje, waar ik in slaagde. Want de jongen met de krullen van weet-ge-nog-toen was er ook.
Toen de vogelkes bijna weer aan het fluiten waren, was mijn roodkapjesmandje niet het enige gadget waar ik mee wegfietste, want de jongen met de krullen was er ook, en ik zat achterop. Het was pas vele uren later dat ik ook daadwerkelijk naar huis fietste, en ik was beschaamd hoe het daglicht mijn roodkapjesmandje moest verdragen, maar het was niet daarom dat mijn wangen bloosden.

Als een meisje tegen een jongen zegt “Bel je me?”, wil ze eigenlijk zeggen: Jij moet me bellen want als het van mij afhangt zal het al belachelijk sebiet zijn. Als in: tien minuten nadat ik je deur uit ben. De jongen hoeft dus niet te vragen “Wanneer?” - hij mag kiezen, zo vroeg hij wil, het hem uitkomt, hij er aan denkt, zin in heeft. Het meisje stelt voor zichzelf een aanvaardbare termijn van dat ik-moet-gebeld-worden op. De grens tussen gelukkig en ongelukkig. Ze legt het lot in zijn handen, maar dat van haar geluk in de hare. Het geluk is gemakkelijk te vinden voor wie het zoekt: dat hij vroeg wanneer, wil zeggen dat hij rekening wil houden met haar wensen, bijvoorbeeld. Alle uitspraken worden in haar voordeel verdraaid.

Ik kan al dagen amper eten, ik ben zo voortdurend zenuwachtig-om-geen-reden dat mijn hoofd er licht van wordt, ik ben euforich en panisch tegelijk, heel erg gelukkig maar ook heel erg onzeker. Voortdurend, voortdurend. En ik weet begot niet meer hoe het moet.

En hij belde terug. Ruimschoots voor de aanvaardbare termijn.
Vuur is verliefd.

Bwoa(rds)

3 maart 2008

Ik had het moeten weten. Had ik maar iets met wat meer stof moeten aandoen. Ik heb het zelf gezocht: het enige wat achteraf over Vuur-op-de-Bwards werd geblogd, ging over mijn benen, borstekes, lijf, kleedje, lippenstift, heetheid, weetikveel, ik werd er zelfs voor bedankt. Geilaards zijn het ja, die blogosfeerbewoners, die er van verschieten dat vrouwelijke bloggers dan toch daadwerkelijk vrouwelijk zijn, alle Abel-Ransbottyns-op-een-stokske-nog-aan-toe. Zitten ze te zagen voor meer vrouwvolk in de blogosfeer, blijken ze er nog niet klaar voor te zijn. Ik had het express gedaan natuurlijk, laat ons daar duidelijk in zijn, ik had dringend meer pageviews nodig en mijn ego kan altijd een paar kilo’s extra gebruiken.
Ik deed mijn beklag bij Brutin, one-on-one-live-blogging-of-zoiets, want hij was te lam om van achter zijn pc te komen maar hij wilde er toch heel graag bijhoren. “In all fairness, uw decolleté is dan ook interessanter dan uw blog tegenwoordig”, smste hij terug. En hij had natuurlijk gelijk, verdomme. Dat was iets wat geen van de aanwezigen was opgevallen trouwens, dat er een gat gaapte in mijn archief.
Gelukkig was er Tantieris, lieve Tantieris, die van mij de prijs krijgt van best-dressed-blogger, hoewel die madam met haar hondeke krap achter ligt. Ik vind dat Tantieris eindelijk eens moet stoppen met zagen over haar leeftijd trouwens, okee, ze heeft kinders en auto’s en diploma’s en manlieven en huizen en serieuze jobs, dat heb ik allemaal niet -dus ze moet wel een beetje ouder zijn dan ik, anders voel ik mij he-le-mààl een loser- maar voor de rest is ze voor mij totally zevenentwintig en mag ze mijnne maat zijn in goede én kwade tijden. Ze maakt mij aan het lachen, zelfs zonder bokalen wijn, dus ze verdient nog heel veel meer dikke zoenen.
Ook gelukkig was er de (ver)beeldige Kathleen, de rosse. Ze was in goed gezelschap zo, met de blonde Lime en de donkerharige Webstekske, alledrie toffe madammen, nog toffer dan K3.
Stefan, Tijdtussendoor, Ann, Lama, Pietr, Maarten, Herman, Imke, Vincent, Bart, Clo, Emich, Matthias, Roedi, Do, Christophe: allemaal tofferds die (hoop ik) verder keken dan mijn benen lang schijnen te zijn. De schoenen waren geleend van de buurvrouw trouwens, en al de rest was te danken aan bommanylons van de Carrefour. Drie euro negentwintig. Zo, is die magie ook weeral ontkracht.
En Ntone, met of zonder witloof, hij stond al eeuwen in reader&roll en ik was het gladvergeten.
En Marnik, at last we met, ik vond dat nogal ne knappe precies en moest ik niet weten dat hij verloofd is, ik zou hem nog mee naar de cinema durven vragen. Anderen ook trouwens, hoor.
De nootjes in plastieken pottekes deden mij denken aan saaie feestjes in parochiezalen. Het Bwardsconcept was een beetje op zoek naar zijn identiteit, geloof ik. Als het volgend jaar au sérieux genomen wil worden als awarduitreiking, moet het een beetje meer ts-ts-ké-boem-tschíng zijn.
Maar ts-ts-ké-boem-tsjing, ik vond het fijn en velen met mij! Sociale evenementen kunnen er nooit genoeg zijn! One love bloggers united spread the wooooord.

En nu ga ik gewoon terug stukskes schrijven, zenne. Daar ben ik heel veel beter in dan in het showen van mijn tetten.

Vale teint

14 februari 2008

Tis een fijn filmke, en vandaag magda.
Ik valentijn, jij valentijnt, wij zullen allemaal gehebben valentijnd.

Ik kruip straks in de zetel bij één van mijn leukste vriendinnen, om te doen waar wij goed in zijn: niets in het algemeen, maar alles is bijzonder.
En geullie?

Aan de geheimen in mijn hart: jullie zitten daar verschrikkelijk goed. Het is een grote boze wereld, daarbuiten.
Aan mijn vrienden: ik heb u graag. Uitroepteken!